ELZC: Eerste Limburgse Zweefvlieg Club

ELZC vlag

Een beetje geschiedenis

De Eerste Limburgse Zweefvliegclub (ELZC) werd op 17 mei 1934 opgericht door een groep luchtvaartenthousiastelingen. Onder voorzitterschap van Mr. Onland, ere-voorzitter de heer Van Grunsven en de leden de heren Mengels, Van de Ven, Van der Grinten, Hanssen, Dirkx, Reis, Slofstra, Goetgens, Essers en de gebroeders Brauckmann werd op 7 oktober 1934 met de ESG PH-26 begonnen met de eerste bescheiden vluchtjes vanaf de Heksenberg.

Het zweefvliegtuig werd met mankracht boven op de Heksenberg geplaatst. Aan de neushaak van het vliegtuig werd, nadat de piloot op zijn zitplaats stevig ingesnoerd was, een tweedelige duimdikke rubberkabel bevestigd, die in een V-vorm voor het vliegtuig werd uitgelegd. Aan elk eind van de rubbere kabel werden nu de overige leden gelijk verdeeld opgesteld. Zo stonden er aan elk eind ongeveer 8 tot 12 man, terwijl zich een kleine groep leden achter aan de staart opstelde om het zweefvliegtuig in bedwang te houden. Zodra de piloot een teken gaf begonnen de mensen met de kabel over de schouder de Heksenberg af te rennen. Op het commando "los" van de piloot lieten de mensen aan de staart los en het zweefvliegtuig schoot de lucht in. De vlucht duurde maar enkele seconden. Op het eind van de dag moest het zweefvliegtuig dwars door de Brunssumerheide op een karretje naar de hangaar worden vervoerd. Deze hangaar, door de leden zelf gebouwd, stond in de buurt van een uitspanning, bij het publiek bekend als de 'Apenkooi'.

Al snel werd de rubberstart vervangen door de lierstart die een grotere starthoogte mogelijk maakte. Ir. Dinger schonk zijn oude auto, een 'Stutz', aan de zweefvliegclub. Het geschenk werd door de ELZC gebruikt om de eerste lier te bouwen. Op het chassis van de auto werd de lier gebouwd. In 1935 was dit een geweldige luxe. Het volgende motorische vehicle deed nu ook zijn intrede, een oude T-Ford. Deze werd gebruikt om kabels uit te rijden.

In het voorjaar van 1936 werd de Bauling Baby PH-45 gekocht. De vreugde was echter niet van lange duur: de oorlog brak uit en van 1940 tot 1945 werd gedwongen niet gevlogen. In de zomer van 1947 werd de Baby zwaar beschadigd bij een landing. In de periode 1948 - 1949 werd met de overgebleven leden voornamelijk gevlogen in Venlo.

Vanaf 1950 werd gevlogen op vliegveld Beek. In 1952 gaat de ELZC weer op de Brunssummerheide vliegen. Het onderhoud van het terrein levert echter zoveel problemen op dat besloten werd weer te verhuizen naar Beek. In 1950 werd van de KNVvL (Koninklijke Nederlandse Vereniging voor Luchtvaart) de Grunau Baby, de PH-148, gehuurd en in 1955 deed een Goevier tweezitter, de PH-206, zijn intrede. Met de ESG's werd toen niet meer gevlogen. Ook kwam de zweefvliegclub in het bezit van een 2-trommellier en werd de T-Ford vervangen door een jeep. De vliegtuigen werden ook vervangen door moderner materiaal, zo werd de Goevier vervangen door de Rhoenlerche (PH-234). Ook kwamen er twee zweefvliegtuigen bij, namelijk de Skylark II (PH-256) en de Prefect (PH-193) als overgangstrainer.

In de jaren 1964 - 1965 wordt de vloot van de ELZC uitgebreid met een K-8 (PH-362) en een moderne K-7 (PH-272). Vliegveld Beek wordt in die tijd steeds intensiever gebruikt door de grote luchtvaart. Daarom is er in 1970 geen plaats meer de ELZC.

In samenwerking met de provincie, het recreatieschap en de gemeente Schinveld werd besloten om de zweefvliegclub te vestigen op het terrein gelegen bij de Leiffenderhof te Schinveld. In drie jaar tijd is een schitterend zweefvliegveld met hangaar en restaurant gerealiseerd.